Historie vfonds

Twee Nederlandse militairen, die gezamenlijk revalideren nadat ze in 1940 oorlogsletsel hebben opgelopen, richten kort na de bevrijding een belangenorganisatie voor gewonde dienstplichtigen op: de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers [BNMO]. Na de oorlog in het voormalige Nederlands-Indië groeit het ledental van de BNMO sterk. Toch blijft deze bond aangewezen op inkomsten uit particuliere initiatieven, zoals de verkoop van loten en lucifers.

In 1970 richt voorzitter Bib van Lanschot van de BNMO, samen met anderen, de Giroloterij op; de eerste Nederlandse loterij voor goede doelen. Later verandert de naam Giroloterij in BankGiro Loterij. Volgens een verdeelsleutel ontvangt de voorloper van het huidige vfonds – de Stichting Fondsenwerving Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers – bijna 13% van de opbrengsten. Deze SFMO werd opgericht om de middelen uit de loterij te verdelen onder de BNMO en andere veteranenorganisaties. Sinds het voorjaar van 2007 opereert de SFMO onder de naam vfonds.

Het vfonds is van oudsher dus de belangrijkste financier van de BNMO. Naast een vereniging voor belangenbehartiging en lotgenotencontact kende de BNMO ook een tak voor professionele dienstverlening zoals maatschappelijk werk en nazorgprogramma’s. In 2004 werden deze twee delen gescheiden en is het professionele deel ondergebracht in de BNMO-serviceorganisatie, vanaf 2006 opererend onder de naam ‘De Basis‘.

Het overgrote deel van het budget van het vfonds werd en wordt besteed aan veteranenzorg, in de vorm van maatschappelijk werk, juridische dienstverlening en nazorgprogramma’s. Met de Basis is beleid ontwikkeld om in enkele jaren te komen van instellingssubsidie naar projectfinanciering. Dit proces is in 2009 afgerond en heeft geleid tot meer inzicht in de efficiency van de organisatie en een aanmerkelijke kostenreductie. Tevens bood het de Basis ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe activiteiten voor andere doelgroepen, met andere financieringsstromen.

De financiering van het maatschappelijk werk werd een principiële discussie rond de vraag of financiering van zo’n primaire zorgfunctie wel de taak is van een particulier fonds. Er werd contact gezocht met het Ministerie van Defensie met als resultaat dat Defensie de financiering sinds 2011 voor haar rekening neemt. Hierdoor ontstond ruimte voor het vfonds om het vrijgevallen budget te besteden aan andere activiteiten en nieuwe werkvelden.